Het is achter de rug; ik heb het overleefd. De operatie ging vlot, in mijn beleving althans. Ik heb zelfs niet gemerkt dat ik onder narcose ging. Dat zal een uur of half negen geweest zijn. Het daarvoor aanbrengen van de epiduraalpomp was zoals verwacht geen lolletje. Het gebeurde zittend op de rand van een tafel terwijl een verpleegster me vast hield. Met name mijn reactie op de adrenaline die ze inspuiten is erg heftig en onaangenaam: koud zweet, duizeligheid en verlies van controle over mijn denkvermogen. Toen dat achter de rug was mocht ik gaan liggen. Mijn ms-benen tintelden nog na van de stress. Omhoog kijkend begreep ik dat het de operatietafel was waarop ik had gezeten. Ik herkende die grote lampen aan scharnierende armen van ziekenhuisseries op de tv. Ik kreeg een infuus in mijn hand en daarna weet ik niets meer totdat ik om exact 14.00 mijn ogen opendeed. Dat was de stand van de wijzers op de klok tegenover mijn bed in de uitslaapkamer; het eerste dat ik zag. Er zijn geen overgangsgebieden naar of uit een narcose is mijn ervaring. Je bent er en je bent er weer, even helder als daarvoor, alleen op een andere plek en met afgrijselijke littekens. Daartussenin is niets, geen sluimerende slaap waaruit je wakker wordt met vage herinneringen aan een hond die blafte in de verte, geen moe van nieuwe indrukken en ervaringen wegzakken in de vergetelheid van de nacht. Ze kunnen intussen met je doen wat ze willen; je hebt er geen herinnering aan. De ultieme party-drug dus.
Terug in mijn luxe een-persoonsziekenhuiskamer bleek dat ik mijn onderarmen niet kon gebruiken. Dat kwam door de epiduraalpomp die alles op borstniveau min of meer uitschakelde, niet alleen de pijn. Dat duurde een paar dagen; het ging steeds beter naar mate de pomp lager werd gezet. Vlak na de operatie kon ik echt niets, niet zelf eten en ook niet op de alarmknop drukken waarvan het verplegend personeel overigens erg zenuwachtig werd. Ze vroegen me of ik luid genoeg kon roepen. Het “zuster” kwam er volgens mij overtuigend genoeg uit, maar pas toen ik voorstelde dat ding met de alarmknop met pleisters aan het hekje van mijn bed vast te maken zodat ik er met mijn elleboog bij kon waren ze gerustgesteld. Ze vonden dat een geweldig slim idee van me; ik vertelde ze maar dat ik ingenieur was. Eens een ingenieur, altijd een ingenieur. Roos heeft me later die middag zitten voeren. De gepocheerde botervis met aardappelpuree die ik voor de zekerheid besteld had smaakte me prima, ik voelde me helder en goed die eerste uren na de operatie.
Daarna volgden een paar dagen en nachten dat ik niet wilde weten dat ik leefde. Met mijn ogen dicht, volgepropt met pijnstillers doorstond ik de vrachtauto die op mijn borst stond fout geparkeerd. Met radio 1 op mijn koptelefoon probeerde ik de tijd te vergeten en hield ik me drijvende in een zee van pijn en narigheid vastklampend aan het besef dat het over een paar dagen beter zou gaan. Eigenlijk was het niet eens zo zeer de pijn van de operatie waarvan ik last had. Het was de pijn in mijn rug en de spasmes in mijn benen die steeds erger werden door het langdurige op mijn rug liggen en niet kunnen bewegen met daarbij nog een knallende koppijn omdat mijn voorhoofdsholtes het ziekenhuisklimaat niet verdroegen. Het duurde even tot dat tot mij doordrong en dat het dus geen zin had de epiduraalpomp hoger te zetten; ik moest gaan bewegen en mijn holtes met zout water spoelen. Toen na een paar dagen de blaaskatheter eruit mocht en ik meer bewegingsvrijheid kreeg ging het beter. Al snel kon ik zelf nadat ik de vijf flessen van de drains in twee plastic tassen aan de paal van de epi-pomp had gehangen naar mijn privé badkamertje om te plassen. Dat lukte alleen ‘s nachts niet meer toen ik een dag later een urineweginfectie kreeg. Het was met een duf en slaperig hoofd zo’n gedoe met slangen en flessen aan weerszijden van mijn bed en het loskoppelen van de elektra en uitschakelen van het daarop volgende alarm van de pomp dat ik de wc niet meer op tijd haalde. De alarmknop bracht uitkomst en ik kreeg een po-stoel naast mijn bed.
Op dag vijf begonnen ze over ontslag te praten, kreeg ik instructies hoe ik de vacuümflessen van de drains moest verwisselen. Ik zag me echter nog niet overleven zonder po-stoel naast mijn bed en liet ze lekker kletsen. Ze lieten het gelukkig wel min of meer aan mij over om te bepalen of ik er aan toe was om naar huis te gaan en dat was ik nog niet. Maar diezelfde avond begon ik voor het eerst wel nieuwsgierig te worden naar de wereld buiten mijn kamer. Ik had in de lift zien staan dat op de zevende verdieping een terras was voor patiënten. Ik besloot met pomppaal en zakken met slangen en flessen in de lift te stappen en de zon die al die dagen uitbundig had geschenen op te zoeken. Zaterdag en zondag ontving ik mijn bezoek daar op het terras. Ik voelde me met het uur beter. Maandag was ik zover dat ik met de resterende drie drains naar huis kon. Precies een week later. Met een paar nieuwe tieten waarvan de aaibaarheidsfactor voorlopig nog onder nul ligt. De afgrijsingwekkendheid ervan scoort daarentegen flink hoog. Toch wen ik aan het beeld in de spiegel. Ik voel me de vrouw van Frankenstein, trots op haar aangenaaide borsten. Het leven heeft wel bijzondere ervaringen voor me in petto. Het blijft spannend.
dinsdag 9 juni 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
Lieve Marein,
Ondanks dat we toch wel contact met elkaar hebben gehad ben ik blij dat je je verhaal op de blog zet: je beschrijft wat je mee hebt gemaakt. Dat was niet niks! Toen wij je opzochten in het ziekenhuis presenteerde je je alweer zo flink, nu lees ik waardoor dat werd voorafgegaan. Ik wens je verder een goed herstel en hoop je binnenkort weer te treffen. (hiervoor nam Erica contact met je op)
Tot bennenkort, hartelijke groet, Nona
Een reactie posten